Laatst bijgewerkt: 25 februari 2026 | Door Marc Tukker, WKI-geregistreerd incasso jurist.
Een klant zegt: “Prima, we hebben te laat geleverd, maar die boete gaan we niet betalen. Zet maar op de stapel met de rest.” Dat is het moment waarop een contractuele boete óf verandert in harde euro’s, óf verwordt tot een tandeloze clausule waar de debiteur om lacht.
Wie een contractuele boete afdwingen wil, merkt snel dat het niet alleen draait om de tekst in het contract. Het draait om bewijs, de manier waarop je de boete inroept, de verhouding met de echte schade en vooral: hoe je omgaat met verweer. In de praktijk winnen niet de partijen met de grootste mond, maar de partijen die het dossier juridisch sluitend maken en de druk precies op het juiste punt opvoeren.
Contractuele boete afdwingen: waar het vaak misgaat
In veel mkb-contracten staat een boetebeding “voor het geval dat”. Het wordt gekopieerd uit een template, zonder na te denken over de situatie waarin je het ooit moet toepassen. Zodra het erop aankomt, zien we dezelfde breekpunten terug.
Ten eerste: de trigger is vaag. “Bij niet-nakoming is een boete verschuldigd.” Maar welke verplichting precies, wanneer is er sprake van verzuim, en is ingebrekestelling vereist? Als je daar niet strak op zit, geeft je debiteur zichzelf ruimte om te traineren.
Ten tweede: het boetebeding is niet goed ingeroepen. Een boete ontstaat niet vanzelf door je frustratie, maar door het juridisch correct vaststellen van de overtreding, het noemen van de contractgrondslag en het concretiseren van het bedrag.
Ten derde: de debiteur werpt “matiging” op tafel. En dat is geen loos dreigement. De rechter kan een boete matigen als toepassing tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat leidt. Wie dan geen dossier heeft over proportionaliteit, onderhandelingen en impact, zet zichzelf klem.
Wanneer staat je boete juridisch sterk?
Een boetebeding is in beginsel gewoon afdwingbaar: partijen hebben het afgesproken. Maar je positie wordt pas echt sterk als de voorwaarden kloppen.
De eerste vraag is of het boetebeding van toepassing is op de concrete situatie. Staat de boete op te late levering, op overtreding van een geheimhoudingsbeding, op het benaderen van klanten, op te late betaling? Hoe specifieker het beding, hoe minder ontsnappingsruimte.
De tweede vraag is of de boete verschuldigd is zonder ingebrekestelling, of pas na een bepaalde termijn. Veel ondernemers vergeten dat hun eigen contract eerst een ingebrekestelling of hersteltermijn eist, voordat er sprake is van verzuim. In dat geval kun je wel roepen dat de boete “nu” geldt, maar juridisch sta je dan op drijfzand.
De derde vraag is de verhouding met schadevergoeding. Sommige boetebedingen bepalen dat de boete in de plaats treedt van schadevergoeding, andere laten cumulatie toe. Bij cumulatie moet je extra alert zijn: de tegenpartij zal sneller stellen dat het totaal buiten proportie is.
Bewijs: het verschil tussen gelijk hebben en gelijk krijgen
Als een debiteur niet vrijwillig betaalt, kom je in de wereld van bewijs terecht. Daar wordt het zakelijk.
Bij Intercash zien we dat boetevorderingen vaak stranden omdat de ondernemer wel de overtreding “voelt”, maar niet kan aantonen wanneer, hoe en door wie. Zeker bij vertraging, kwaliteit of SLA’s is het cruciaal om tijdlijnen en objectieve data te hebben.
Denk aan afleverbonnen, e-mails over deadlines, wijzigingsverzoeken, notulen van voortgangsoverleggen, logbestanden, ticketsystemen en acceptatietesten. Ook WhatsApp kan helpen, maar alleen als je het netjes archiveert en de context duidelijk is.
Een debiteur die verweer voert, doet dat zelden op één punt. Het is meestal een rookgordijn: “jullie waren zelf te laat”, “de scope is gewijzigd”, “we hebben mondeling uitstel afgesproken”, “er was overmacht”. Met een strak opgebouwd dossier trek je dat rookgordijn weg.
Praktijkvoorbeeld 1: te late oplevering met ‘scope creep’ als verweer
Een installatiebedrijf had een boetebeding van 0,5% van de aanneemsom per week vertraging, met een maximum van 10%. De opdrachtgever hield betaling in en stelde dat de boete verrekend werd.
Het verweer: “De planning is uitgelopen door extra wensen. Dus geen boete.” In het dossier bleek echter dat die extra wensen telkens schriftelijk als meerwerk waren geaccordeerd, inclusief nieuwe deeldeadlines. De opleverdatum waarover de boete liep, was nooit aangepast.
De doorbraak zat niet in harder roepen, maar in het vastpinnen van de feiten: wat was contractueel de opleverdatum, welke wijzigingen waren er, en waar staat de afspraak dat de einddatum verschuift? Die laatste ontbrak. Dan blijft het simpel: boete verschuldigd, tenzij de debiteur overmacht bewijst.
Matiging voorkomen: zo maak je je boete verdedigbaar
Als de boete hoog is, komt het woord “matiging” snel op tafel. Je hoeft niet bang te zijn voor iedere matigingsdreiging, maar je moet wel vooruitdenken.
Wat helpt in de praktijk is dat je kunt uitleggen waarom de boete logisch is. Bijvoorbeeld omdat vertraging bij jouw klant direct leidt tot reputatieschade, stilstand, boetes van eindklanten of extra personeelskosten. Als je dat in het voortraject al benoemt, en je kunt later laten zien dat de debiteur dat wist, verklein je de kans dat een rechter de boete afvlakt.
Ook de manier waarop je handelt telt mee. Laat je de situatie weken doorsudderen zonder te protesteren, dan voelt een boete achteraf voor een rechter sneller als een “strafinstrument”. Reageer je direct, geef je de wederpartij gelegenheid om te herstellen en leg je vast dat rechten worden voorbehouden, dan oogt jouw positie redelijk en zakelijk.
Verrekening: het favoriete rookgordijn van debiteuren
Een boete wordt in de praktijk vaak gebruikt als verrekenpost: “We betalen je factuur niet, want we verrekenen met de boete.” Dat kan alleen als verrekening contractueel en juridisch kan, en als de boete opeisbaar is.
Hier zit een belangrijk drukpunt. Als de debiteur jouw factuur blokkeert met een boete, wil je snel helder krijgen of die boete überhaupt rechtsgeldig is ingeroepen, of de voorwaarden zijn vervuld, en of het maximum is bereikt. Vaak blijkt dat er wordt geschermd met een boete die niet klopt, of die gebaseerd is op een verkeerde startdatum.
Het omgekeerde komt ook voor: jij wilt een boete incasseren, en de debiteur zegt dat hij schade bij jou verrekent. Dan draait het om hetzelfde principe: wie heeft een opeisbare, voldoende bepaalbare tegenvordering? Zonder onderbouwing is verrekening eerder bluf dan recht.
Praktijkvoorbeeld 2: relatiebeding en boete per overtreding
Een dienstverlener had met een ex-partner een relatiebeding afgesproken: geen klanten benaderen gedurende 12 maanden, boete van € 5.000 per overtreding plus € 500 per dag dat de overtreding voortduurt.
De ex-partner ontkende: “Ik ben niet actief naar klanten gegaan, zij kwamen naar mij.” Dit soort discussies win je niet met aannames, maar met concrete sporen: offertes, e-mailheaders, LinkedIn-berichten, agenda-uitnodigingen, en vooral de timing. Als de eerste benadering van de ex-partner komt, is de zaak ineens veel minder grijs.
In dit type dossiers is snelheid alles. Iedere dag dat je wacht, stapelt de schade zich op én groeit het argument van de wederpartij dat je het blijkbaar allemaal wel vond meevallen.
Overmacht, opschorting en eigen schuld: drie verweren die je moet kunnen pareren
Bij boetes rond levering en uitvoering komen drie verweren telkens terug.
Overmacht: dan moet de debiteur aantonen dat nakoming onmogelijk was door omstandigheden die niet voor zijn rekening komen. Tekort aan personeel of “drukte” is zelden overmacht. Structurele leveringsproblemen bij een vaste toeleverancier meestal ook niet. Maar een plotselinge overheidsmaatregel of een aantoonbare ketenverstoring kan wél gewicht krijgen, afhankelijk van wat partijen hebben afgesproken.
Opschorting: de debiteur zegt dat hij mocht stoppen omdat jij niet leverde. Dat is gevaarlijk als er echt sprake is van een samenhangende verplichting. Daarom wil je scherp krijgen: was jouw prestatie opeisbaar, is er een ingebrekestelling, en was opschorting proportioneel?
Eigen schuld of medeverantwoordelijkheid: “jullie gaven informatie te laat.” Dit win je met een tijdlijn. Wanneer vroeg de debiteur om input, wanneer leverde jij, en wat was de impact? Als je dat niet kunt laten zien, wordt het een welles-nietes.
Zet de druk op het juiste punt: betaling is vaak een zakelijke keuze
Bij zakelijke debiteuren is niet betalen zelden emotie. Het is een keuze: cash behouden, discussie rekken, of hopen op korting. Een contractuele boete verandert die rekensom alleen als je laat zien dat je juridisch doorpakt.
Dat betekent niet dat je meteen moet procederen. Het betekent wel dat je consequent bent: je benoemt de contractbasis, je onderbouwt de overtreding, je maakt het bedrag concreet en je geeft een heldere escalatielijn. Zodra de debiteur merkt dat jij het dossier op orde hebt en niet in rondjes gaat, verschuift de onderhandelingsmacht.
Wanneer is het slim om direct juridisch op te schalen?
Er zijn situaties waarin je met een boete niet weken wilt discussiëren.
Als de debiteur zijn verweer telkens wijzigt, is dat meestal een teken dat er geen hard verweer is maar tijdrekken. Als er sprake is van bewijs dat kan verdwijnen (bijvoorbeeld digitale logs of accounts), wil je snel vastleggen. En als je ziet dat de debiteur financieel wankelt, is snelheid cruciaal: een boete op papier is waardeloos als er straks niets meer te halen valt.
In zulke dossiers nemen onze juristen de regie: geen losse dreigementen, maar een juridisch sluitende aanpak met focus op bewijs, opeisbaarheid en druk op de beslissers. Dat is precies waar een traditioneel incassobureau vaak stopt.
Wil je weten hoe sterk jouw boetebeding staat en wat de snelste route is om betaling af te dwingen? Dien je dossier in bij Intercash Juristen – dan kijken we direct naar contract, bewijs en het verweer, en krijg je een helder plan zonder omwegen.
Een contractuele boete is geen wens. Het is een afspraak. En afspraken zijn er om nagekomen te worden.

















